GESCHREVEN DOOR

Thomas Heerma van Voss (NL)
VERTAALD DOOR

Laura Watkinson (GB)
EEN VERPLICHT VAK
20 November 2009
‘Vertel maar iets, ze luisteren wel. Jij bent de schrijver.' Met deze woorden werd ik het lokaal binnengeleid. De leerlingen volgden, negen in totaal. Ze gingen zitten en keken afwachtend mijn kant uit. Ik stelde mezelf voor en vertelde over Crossing Border, het Chronicles-project, het uitbrengen van een boek, schrijven in het algemeen. De illusie ze in een uur tijd daadwerkelijk iets bij te brengen had ik niet, ik hoopte één zin uit te spreken die zou blijven hangen, één gedachte waar iemand ooit op wat voor manier dan ook iets aan zou hebben. Ook dat bleek hoog ingezet.
Mijn woorden hadden geen effect, de enige respons die ik kreeg was een wat kille, afstandelijke blik. Ik twijfelde of ik een grapje moest maken om het ijs te breken, maar zag ervan af, want terwijl ik daar stond en mijn verhaal deed, kon ik me ineens inleven in de leerlingen. Anderhalf jaar geleden was ik zelf namelijk nog een scholier, op min of meer dezelfde leeftijd; een leeftijd waarop je langzamerhand begint te beseffen dat je volwassen aan het worden bent, en daarom enerzijds niets te maken wil hebben met jongeren en anderzijds neerkijkt op ouderen om de simpele reden dat zij ouder zijn en daarmee meer hebben gezien dan jij. Maar nog meer dan dat is het een leeftijd van verveling. Als er iets van toepassing was op deze klas was dat het wel: een onmisbare, intense verveling.
Ik besloot het over een andere boeg te gooien en vroeg of ze iets specifieks wilden weten over schrijven, of over een ander onderwerp.
Stilte.
Ik praatte verder, enkele minuten lang. Toen kwam er alsnog een vraag, van achterin de klas. Of ik nog bij mijn moeder woonde. Een paar mensen gniffelden, iemand anders zag de vraag als aanleiding luidkeels te gaan praten, maar toen ik bevestigend antwoordde, verstrakten meteen alle gezichten en werd het weer volkomen stil.
De bedoeling van de workshop was dat iedereen aan het einde zelf iets geschreven zou hebben, dus deelde ik proefwerkblaadjes uit. Maar schrijven deden ze niet.
Ik probeerde ze te motiveren door met ze te praten over wat ze bezighield, over hun ergernissen in het dagelijks leven. Na een tijdje vroeg ik: ‘Houden jullie eigenlijk een beetje van schrijven, van boeken, van lezen?'
Behalve door een enkeling die zijn hoofd schudde werd er niet gereageerd.
‘Is dit een verplicht vak?'
Een volmondig ‘ja'.
Ik bleef doorpraten en gaf zo veel mogelijk tips, voor mijn doen werd ik tamelijk enthousiast. Er was zelfs een moment waarop ik dacht: dit gaat goed, deze afgezant van The Chronicles zet iets moois neer. Maar al snel merkte ik dat er bij de leerlingen niets veranderde, met moeite kwamen er bij de meeste uiteindelijk een paar regels uit.
Het woord ‘lui' was hier niet misplaatst geweest. Ooit heb ik iemand horen zeggen dat luiheid een wenselijke eigenschap is, omdat die je zou dwingen op zoek te gaan naar creatieve oplossingen. Maar creatieve oplossingen kwamen er niet en bovendien bleek de luiheid van de leerlingen relatief: op het moment dat het seintje kwam dat we ons weer bij de rest van de klas konden voegen, sprongen ze op en maakten ze zich in rap tempo uit de voeten.
Terwijl ik vervolgens met de docente naar het verzamelpunt liep, vertelde ik hoe de les was gegaan, waar we het allemaal over hadden gehad, welke adviezen ik had gegeven.
Maar toen een leerlinge uit mijn groepje na afloop voor haar hele klas moest samenvatten wat we hadden gedaan, was het enige waar ze op kon komen: ‘De schrijver heeft veel gepraat en hij woont nog bij zijn ouders.'

























.png&w=256&q=75)











