GESCHREVEN DOOR

Roelof ten Napel (NL)
VERTAALD DOOR

Lisa Mensing (DE)
Sjaal
19 November 2017
Toen ik 's ochtends, de dag na het festival, mijn tas weer pakte, ontdekte ik mijn sjaal te zijn kwijtgeraakt.
Of ja, 'mijn' sjaal.
Hij is, of was (ik weet niet welke werkwoordstijd ik eigenlijk moet gebruiken) van Annemarie. Die ontmoette ik de avond van mijn boekpresentatie op een terras in Amsterdam. Ik zat daar behoorlijk te hoesten, omdat ik altijd te laat ben met het wisselen naar mijn winterjas, en een verkoudheid opgelopen had, Annemarie zat naast me en bestelde een grog – dat kende ik niet, maar is een mengsel van heet water, honing, sinaasappelsap en rum. Bovendien: goed voor je keel, vertelde ze. We raakten aan de praat, en toen ze vertrok, gaf ze me haar sjaal.
Die droeg ik sindsdien – maar nu was hij dus kwijt.
Ik bedenk me net dat de hele ervaring er wel op lijkt vertaald te worden. Je raakt een tekst kwijt, die eigenlijk toch al niet precies van jou was (alle taal waarin je schrijft moet je in de eerste plaats krijgen), en zoekt op de plaatsen waar je geweest bent of het er nog ligt.
Je vindt het terug, of niet, maar het is misschien niet precies hetzelfde meer. Je vindt ‘jouw’ sjaal, ‘jouw’ tekst.
Tijdens het vertaalproject rondom The Chronicles struikelden we over een vergelijking met een mus, die je in het Duits niet zomaar kon maken. Ik vergeleek iets met een mus omdat het ‘niets bijzonders’ was, en een mus – in het Nederlands, in elk geval – een icoon van alledaagsheid. Niet dat mussen in het Duits zo bijzonder zijn, maar ze hebben wel meer karakter, ze hebben een bijklank van brutaalheid die in het Nederlands ontbreekt.
Hoe vertaal je dat? Door van mussen meervoud te maken? Door een ander woord voor mus te kiezen? Door de vogel te veranderen?
Ik dacht: alsof die mus, in mijn zin, tijdens het vertalen opvliegt, en je maar af moet wachten wat er terugkomt.
(En dit: dat je je eigen taal pas op dit soort momenten leert kennen. Je hebt geen idee welke zinnen typisch Nederlands zijn, dat ontdek je pas wanneer je ze niet in andere talen zeggen kunt. Het ‘typische’ aan het Nederlands zijn al die verschillen bij elkaar: verschillen met het Duits, het Frans, het Russisch, het Japans, het Zoeloe, het Portugees.)
Goed, genoeg daarover.
Bij het hotel – waar we de avond ervoor nog even in de lobby hadden gezeten – hadden ze niets gevonden. Hoewel het niet op de route lag, wandelde ik toen maar terug naar de plaats waar de afterparty was geweest (compleet met silent disco), waar ik vroeg naar een gebonden sjaal.
– Deze?
Een vrouw hield een mat-roze sjaal omhoog. (Even wilde ik knikken.) Ik zei van niet, de mijne was grijs.
Jammer.
Of nee, wacht – ik was al onderweg naar de deur, toen ze zei dat ze nog iets achter in het kastje met gevonden voorwerpen zag. Het kastje was zwart, eerst viel de sjaal niet op.
Hoera, ‘mijn’ sjaal!
Ja, we moeten onze sjaals aan elkaar kwijtraken! Onze sjaals en onze handschoenen, onze jassen (en onze gedachten, en vragen, en gemoedstoestanden)! Die dan weer verliezen, zonder het door te hebben. Wanneer we het beseffen, teruggaan naar waar we ze het laatst hebben gezien. Verliezen, terugzien, verliezen, terugzien. Opnieuw en opnieuw en opnieuw.

























.png&w=256&q=75)











