GESCHREVEN DOOR

Roelof ten Napel (NL)
VERTAALD DOOR

Lisa Mensing (DE)
Blindheid
04 November 2017
In het Mauritshuis, hier in Den Haag, zag ik een schilderij van Rembrandt waarop de mythische Griekse dichter Homerus was afgebeeld. Homerus was volgens de overleveringen blind, een thema dat veel commentatoren hebben opgepakt.
(Ik bedenk me net dat het Crossing Border festival, door de combinatie van aandacht voor literatuur en muziek, ergens ook blind te noemen is. Al is er wel een blokje over graphic novels.)
Jorge Luis Borges, die het zelf uiteindelijk werd, schrijft in een essay over blindheid dat hij moest wennen aan het gebrek aan duister – aan zwart, eigenlijk – dat we juist vaak aan blinden toeschrijven. Hij noemt de groenblauwe mist waarmee hij nu in slaap valt. Verder is geel, zo zegt hij het, ‘hem trouw gebleven.’ Rood is helemaal verdwenen.
Op een zeker moment haalt hij Oscar Wilde aan, die oppert dat de oudheid Homerus opzettelijk aan ons voorstelt als een blinde dichter, om te benadrukken dat poëzie in de eerste plaats muziek is.
(Ik probeer me, kort, poëzie te herinneren of in te beelden die ik vooral lichamelijk horen wil – als je begrijpt wat ik bedoel – zoals ik ’s avonds de muziek van Pink Oculus vooral lichamelijk horen kan, de groove ervan, de richel waar je met je lichaam in raakt. Alsof je met je armen luistert.)
Borges noemt Wilde’s hypothese ‘waarschijnlijk historisch inaccuraat, maar intellectueel aangenaam.’ Daarnaast merkt hij op dat Homerus’ eigen poëzie toch ook erg visueel is.
Maar daarmee is iets aan de hand.
Ben Lerner haalt, in een stuk over ekphrasis (het beschrijven, in de literatuur, van andersoortige kunstwerken) een passage uit de Illias aan, waarin Homerus het schild van de held Achilles beschrijft. Die beschrijving is zo uitgebreid, dat hij amper nog realistisch te noemen is – geen enkel schild zou zo gedetailleerd kunnen zijn. (Er staat me iets bij dat de beschrijving zelfs niet statisch is, alsof de afbeelding op het schild beweegt.)
‘The verbal,’ schrijft Lerner, ‘while pretending to give life to the visual, often transcends it: words can describe a shield we can’t actually make, can’t even paint. (Just don’t take a shield made out of words into battle.)’
Wat me daaraan intrigeert is dat Lerner niet zegt dat de beschrijving slechts doet alsof het beeldend is, maar dat het, terwijl het dat doet, het overstijgt. Het is niet zozeer dat een beschrijving niet beeldend is, maar dat ons verbeeldende vermogen ons zicht al vlug voorbijstreeft.
Rembrandts schilderij van Homerus lijkt zelf blind te zijn, als ik dat zeggen kan – de figuur is dof, zijn arm loopt in de achtergrond over, zijn ogen zijn lichtloos. Zijn handen hangen voor zijn lichaam, de rechter iets hoger, zoekend, de linker lijkt zijn jas vast te houden. Tussen de handen in zit een zwarte verfvlek waarvan maar moeilijk te zeggen is wat het af zou moeten beelden, wat het zou moeten voorstellen. Alsof Rembrandt de kijker zelf op die plaats blind maakt. Misschien schrijven we blinden dat zwart niet toe omdat we denken dat ze het zien, maar omdat wij niets beters hebben om onze eigen voorstelling van blindheid te beschrijven. We tasten in dat duister, omdat we niet weten wat we zien.
Toen ik naar de vlek keek zag ik ineens, in de rechter onderhoek, een andere hand, een derde, met een pen, en een vel papier, zodat ik begreep dat Homerus in dit schilderij aan het dicteren is.
En opeens kwam Homerus’ blik me anders voor. Ik zag wat Lerner zegt, dat onze verbeelding ons zicht inhaalt. Rembrandt schilderde een turende Homerus, een Homerus die, juist door zijn blindheid, schilden kan zien die niet te schilderen zijn. Om met hem die schilden te kunnen zien, moeten we – en wat dat betreft heeft Wilde gelijk – in de eerste plaats luisteren.
Toont een gedicht ons dan het meest als het ons eerst weet te verblinden?
‘De blindheid die het oog opent,’ schrijft Jacques Derrida, ‘is niet die, die het zicht verduistert. (…) De blindheid die de waarheid van de ogen zelf onthult, is de met tranen bedekte blik.’ De blik van ontroering, misschien – die niet bezig is met kijken, maar zich in de eerste plaats afvraagt: waar komen deze tranen toch vandaan?

























.png&w=256&q=75)











