GESCHREVEN DOOR

Kaweh Modiri (NL)
VERTAALD DOOR

Brendan Monaghan (GB)
Column 3
17 November 2012
Er was een moment tijdens het optreden van Kyteman’s Hip-hop Orchetra dat de stilte zo overweldigend was dat Monaghan de pijn in zijn lichaam vergat. Hij vergat dat hij de nacht tevoren als een dooie mus uit de boom was gevallen terwijl hij een woning bespiedde. Het scheen hem nu toe als een zweefvlucht. Hij had gevlogen.
In het stadsschouwburg, waar hij samen met honderden andere toeschouwers zijn adem inhield, en toezag hoe de sierlijke instrumenten op het podium veranderden in decorstukken, kreeg die vlucht een vervolg. Het podium was een sterrenhemel, en hoe meer hij ernaar staarde hoe verder zijn voeten van de grond kwamen. Als een typisch moderne held; nalatig in het sociale verkeer en enkel gedreven door persoonlijke drijfveren, wapperde hij met zijn grote vleugels en ontsteeg de Koninklijke schouwburg. Tussen de verschillende festival podia krioelde het van de mensen die zich door een nieuw aangelegde mini-infrastructuur voortbewogen. De meesten hadden haast, maar anderen waren verdwaald, of hadden tijd te doden. Verspreid over een minuscuul stukje aarde stonden nu mensen op verhogingen hun ziel bloot te leggen. Voor heel even voelde hij geen enkele drang om iets te doen, te denken of te veranderen. Er was niets dat vertaald hoefde te worden, niets dat verduidelijking behoefde.
Toen hij zijn ogen weer opende zag hij dat de leider van het orchest, Kyteman, erbij was gaan zitten om de strijkinstrumenten te begeleiden bij hun broze opkomst.
Ook bij het optreden van Daughter eerder op de avond had Monaghan iets soortgelijks ervaren. Het was opmerkelijk dat juist de muziek er als geen enkel ander medium in slaagde de stilte voelbaar te maken.
Het gedrogeerde gevoel hield aan tot het moment dat hij in Quatro in de rij stond om glühwein te bestellen. De tik op zijn schouder voelde als een spijker die er met een machtige hamer in werd geslagen. Meteen sloeg de kramp toe, en joeg als een wervelwind van zijn nek naar zijn stuit. Zijn hersenen en zijn ogen leken vast te vriezen, waardoor hij zich alleen kon omkeren door zijn voeten beetje bij beetje richting de aanstichter van de pijn te draaien. Tegenover hem stond een meisje met een knorrig uiterlijk die hem met een brutale, vragende blik bekeek.
‘Mag ik vragen hoe jij heet?’ vroeg ze. Ergens was het wel goed dat Monaghan zo verstijfd was dat hij simpelweg geen enkele reactie geven. Hij bleef het meisje met een schuin hoofd en een nietszeggende blik aanstaren.
‘De reden dat ik het vraag is,’ zei het meisje aarzelend, maar ze bedacht zich en maakte haar zin niet af. ‘Ben je toevallig een artiest?’ vroeg ze nu op vriendelijkere toon. Monaghan wilde zijn hoofd schudden, maar bedacht zich op het laatste moment dat hij dat praktisch gezien wel was. Hij was hier op uitnodiging van het festival, dat hiermee de vertalers in de schijnwerpers wilde zetten. Ja. Hij was een artiest. En hij oefende de kunst van het vertalen uit. Hij knikte. Het voelde als een duidelijke bevestiging, maar in de werkelijkheid kon het niet meer dan nauwelijks waarneembare beweging van zijn hoofd zijn geweest. Het meisje bekeek hem nog eens van top tot teen.
‘Dan heb ik je vast in het programma boekje zien staan. Ik zag je voor iemand anders aan,’ zei het meisje teleurgesteld.
Monaghan knikte weer, nam zijn glühwein van de bar en trok met voorzichtige stappen de koude Haagse nacht in.
























.png&w=256&q=75)











