GESCHREVEN DOOR

Kaweh Modiri (NL)
VERTAALD DOOR

Brendan Monaghan (GB)
Column 2
16 November 2012
MERCURE HOTEL DEN HAAG, 22.35. Monaghan stak zijn kaart in de gleuf en opende de deur van kamer 416. Het was een aangename, mechanische klik die hem binnenliet. Het bed was opgemaakt en het bureaulampje brandde nog. Hier zou hij voor even veilig zijn.
Op zijn desk lag het boek van Kaweh Modiri; een jonge, Nederlandse schrijver wiens columns hij op verzoek van het festival zou gaan vertalen. Dat was de reden van zijn terugkeer naar deze stad, die hem in het verleden zo ernstig toegetakeld had.
Tijdens de kennismaking in het restaurant eerder op de avond, toen de andere vertalers en schrijvers het drukke programma bespraken, was er maar één ding dat door Monaghan’s gedachten maalde; een adres en telefoonnummer dat hij zich beangstigend goed kon herinneren: Mariastraat 2, 3 hoog.
Waarom was zijn geheugen juist op dit punt zo genadeloos vasthoudend? Het was al zo lang geleden, en hij was er in al die tijd niet meer geweest. Een bevrijdende klik, dat was alles waar hij om vroeg. Net zoals het klonk toen hij zijn hotelkamer binnenkwam: Klik! Gevolgd door een heimelijk gevoel van veiligheid. Gierig is het brein dat niet wil vergeten!
Monaghan nam het boek van tafel en bekeek de omslag: “Meneer Sadek en de anderen; een geestig en ontroerend verhaal over een Iraanse familie in de meest middelmatige stad van Nederland.” Monaghan sloeg het boek open op een willekeurige pagina en begon te lezen:
“De kalmte van de stad die elke avond om zes uur leek uit te doven deed vermoeden dat het vluchten hier ophield, dat ik nergens meer heen hoefde te gaan.”
Het leek alsof de woorden zich vanzelf naar het Engels vertaalden terwijl hij ze las. Hij zag de vertaling, zijn vertaling, een paar millimeter boven de pagina’s zweven. Het was een gave. Hij was een meester in wat hij deed, en kon met twee vingers in de neus op volle type snelheid vertalen. Maar wat hem dwars zat aan dit vak was het verbod om de woorden van de auteur mee te nemen naar straten en stegen waar het origineel niets te zoeken had, waar enkel kopieën van kopieën woonden; vergeten bedenksels die zich voortsleepten over het trottoir. Vaak dwaalde Monaghan tijdens het vertalen af in zijn eigen geniale varianten, om vervolgens kort voor de deadline alsnog over te gaan tot de orde van de dag, en de tekst netjes volgens de geldende regels om te zetten naar het Engels.
Zijn oog viel op de telefoon die op het nachtkastje stond. Voor het eerst deze avond voelde hij geen enkele aarzeling. Hij graaide de hoorn van de haak en draaide het nummer dat de hele avond al door zijn gedachten zong sneller dan een cowboy zijn pistool trekt. Hij ging twee keer over.
‘Hallo,’ zei een oude vrouwenstem. Monaghan hield zijn adem in. ‘Wie is daar?’ vroeg de vrouw. Monaghan sloot zijn ogen en drukte de hoorn stevig tegen zijn oor, alsof hij de ruimte aan de andere kant van de lijn in al zijn intensiteit wilde opslurpen. ‘Is daar iemand?’ De oude vrouw had een zachte, maar bange stem. Monaghan wilde haar geen schrik aanjagen. Maar hij kon het haar niet vertellen. Ze zou in paniek raken en alles verpesten. Hij hing op. Er was maar één ding waar hij bang voor was. En daar liep hij nu recht op af. Het was 23.20. Monaghan kwam van het bed en liep zijn hotelkamer uit.
























.png&w=256&q=75)











