GESCHREVEN DOOR

Simone Atangana Bekono (NL)
VERTAALD DOOR

Emma Rault (GB)
Simone blog 5
18 November 2019
De week na het Crossing Border Festival zit ik met twee vertalers Nederlands-Engels in het Vertalershuis te Amsterdam. Het giet, de regen klettert hard op de ramen van de uitbouw. We moeten hard praten om elkaar te kunnen verstaan. Het Vertalershuis staat in Oud-Zuid, dichtbij Oud-West, waar ik ooit woonde. Eén van de vertalers woont in de buurt van mijn oude studentenhuis. De ander eet een broodje warm vlees met satésaus. Het is allemaal zeer Hollandsch en dat vertedert me.
Negen jaar geleden, woonde ik op zes vierkante meter, twee hoog, in een oud herenhuis aan de Bosboom Toussaintstraat, om de hoek van de Overtoom. Ik weet nog goed hoe ik daar ’s winters handdoeken op de vensterbank legde, dicht tegen de raamkozijnen gedrukt, om de tocht enigszins tegen te houden. Ik sliep op een vide, waar je met een houten trapje bij kwam, en onder die vide stond mijn bureau met een stoel. Omdat het raam onder het slaapgedeelte van de vide ophield lag ik standaard in het pikdonker, waardoor ik regelmatig, ook als ik afspraken had, pas ver in de middag wakker werd. Mijn kleren lagen in de kast onder de trap en als de wasmachine in de gang centrifugeerde trilden alle spullen van het bureau de vloer op, omdat het hokje waarin het apparaat stond een muur deelde met mijn kamertje.
Ik denk hierover na als ik na mijn afspraak het Museumplein op loop. Amsterdam associeer ik met mijn vroegere ruimtegebrek maar het is hier wijds. Ik kwam nooit op Museumplein. Ik schiet een supermarkt in om wat te eten te kopen. Als ik weer boven kom van mijn aankoop is de zon doorgebroken en fonkelt Amsterdam in al haar nattigheid. Zoals wel vaker op plekken die ik ken van vroeger, overvalt de charme van de stad me plots, dus ik besluit naar mijn oude buurt te lopen.
De toko is er nog, om de hoek van de grote straat, en de bakker waar je koffie to-go kan halen. Ik sta stil voor de psychiatrische instelling, op de t-splitsing, en kijk naar het absurde kunstwerk op het dak: een mensvormig standbeeld op de rand van een ladder. Luguber, denk ik, maar zoals vroeger vraag ik me af hoe je Amsterdam vanaf die plek zou zien. De stad zou vast een hoop overzichtelijker lijken dan vanaf de grond.
Crossing Border ligt een halve maand in het verleden. Ik voelde me tijdens het festival geagiteerd en afgeleid. Er was buiten het festival teveel gaande. Ik wilde rust. Ik wilde kunnen nadenken. Die eerste winter in Amsterdam, toen ik verdwaasd rondliep tussen mijn huis en de universiteit, voelde ik me ook zo. De stad kwam in flitsen binnen en ik kon er geen logica in ontwaren. De noodzaak me terug te trekken werd uiteindelijk de manier om me te kunnen verhouden tot de plek waar ik was. Mijn dagindeling draaide om het tempo van mijn brein. Zo ook tijdens het festival in Den Haag.
Als ik mijn oude straat inloop zie ik, in tegenstelling tot vroeger, een rij aan SUVs de parkeerplaats opvullen. Eén van de huizen is net gerenoveerd, steriel tussen de oude panden. Er staan nieuwe fietsen voor de deur, er lopen mensen langs die ik niet ken, waarvan ik niet weet of ze in mijn oude straat wonen, die van mij niet weten of ik er ooit heb gewoond. Ik herken het Tunesische restaurant, het Italiaanse iets verderop, de zijstraten, de vernieuwingen. Een jonge vrouw zoeft voorbij op de fiets, misschien is ze op weg naar de universiteit. Ik krijg zin in koffie. Op naar de bakker, dus. Ik weet waar ‘ie zit. Ik voel me een toerist, net zoals toen in Den Haag, in een stad die ik al heel lang ken. Het is niet per se een slecht gevoel.
























.png&w=256&q=75)











