GESCHREVEN DOOR

Simone Atangana Bekono (NL)
VERTAALD DOOR

Emma Rault (GB)
Simone blog 4
05 November 2019
Momenteel rijdt een vijfenzestigjarige vrouw in een blauwe Toyota richting Arnhem om de sleutels van mijn flat in Rotterdam-Noord op te halen. Mijn partner heeft ze per ongeluk in haar tas gestoken en is ermee naar de andere kant van het land gereisd. Toen ik het hoorde, begon ik te huilen, want ik was moe van de laatste drie weken, waarin ik non-stop heb gewerkt en niet in mijn eigen bed kon slapen.
Ik ga wel,’ zei de vijfenzestigjarige vrouw meteen. We zaten in haar appartement. Ze liep naar de keuken, pakte een snijplank en smeerde drie boterhammen: één met jam, één met kaas, één met salami. Ze deed ze in een plastic zakje en het plastic zakje deed ze in haar handtas.
Toen de vijfenzestigjarige vrouw wegreed, liep ik naar de juwelier. Ik wilde me laten troosten door het goud. Weer een dag niet thuis, huilde mijn hart, weer een dag zonder je eigen bed, de geur van je planten, het branden van je stompkaarsen. Als ik moe ben, word ik kinderachtig, en als ik kinderachtig word, heb ik zelfmedelijden. Dus ik liet me gaan. Ik betrad de winkel en bestudeerde halskettingen, oorstekers, ringen met diamanten en armbanden vol sierlijke graveringen. Ik stelde me voor hoe ze me zouden staan en maakte met mezelf de afspraak dat als ik later rijk zou zijn, ik me zou overladen met edelmetaal. De vrouw achter de toonbank volgde me met een scherpe blik: ik had wallen, was nat van de regen, struinde zonder intentie om te kopen door haar terrein. De vrouw kondigde aan dat ze om drie uur wilde sluiten. Ik zei dat ik dat een rare tijd vond. Het is zondag, zei ze, en verder niks.
Toen ik buiten was, liep ik terug de woonwijk in, langs een sloot vol eenden, om nog meer tijd te doden. Het begon te regenen en ik werd misselijk. Een gans krijste naar me en ik raapte een tak op, gooide die woedend naar het beest en miste. Toen graaide ik de sleutels van het appartement van de vijfenzestigjarige vrouw uit mijn jaszak, liep met de sleutels stevig in mijn hand gedrukt naar haar adres en ging aan de slag. Nu zit ik hier dit te schrijven. Het duurt nog wel even voordat de vijfenzestigjarige vrouw de sleutel van mijn huis in mijn handen kan drukken. Ik stel me voor dat ze bij een tankstation tussen Den Haag en Utrecht stopt, uitstapt en leunend tegen de auto, in de wind en regen, de boterham met kaas eet die ze voor zichzelf heeft ingepakt, uitkijkend over weides met koeien en sloten. Waarschijnlijk doet ze dat niet, staat ze niet fier voor zich uit te staren, maar ik hoop het. Misschien rijdt ze wel langs een ongeluk op de snelweg, grotesk en stinkend naar brandende motorolie. Of ziet ze paarden mee galopperen met haar auto, over de hekken tussen de weides springen, haar achtervolgen tot het einde van het boerenlandschap. Misschien koopt ze onderweg een milkshake, of eet ze een schnitzel in een snelwegrestaurant, aangezien ze toch alle tijd heeft voor haar reis.
Als ik de stukken teruglees die ik de afgelopen dagen schreef, zie ik dat ik bij elke blog iemand heb gequoot. Blijkbaar heb ik haakjes nodig om mijn gedachten aan op te hangen. Ik vraag me af wat de vijfenzestigjarige vrouw daarvan vindt. Als het aan mij ligt, schenkt ze zichzelf na thuiskomst van haar reis een stevige whisky in, bestelt ze een dampende pizza met extra kaas, kijkt haar favoriete Engelse detective met haar voeten op de salontafel. Ze zal op de site van het festival de blogs lezen, aandachtig, stil, als ik weg ben, eindelijk naar huis. Als ik haar via Whatsapp vraag wat ze vindt zal ze eerlijk zijn.
‘Ik vond de jouwe erg aardig,’ zal ze zeggen, ‘Maar die van de Palestijnse schrijver waren het best.’
























.png&w=256&q=75)











