GESCHREVEN DOOR

Lize Spit (NL)
VERTAALD DOOR

Kristen Gehrman (GB)

Maud Gonne (FR)
blog 1 - Lize Spit
20 October 2016
Op de eerste vrije dag nadat ik een week lezingen gaf, word ik verkouden. De ‘valling’ – zoals we dat thuis noemden – overvalt me niet, maar bouwt traag op. De eerste nies is het startschot voor de bacteriën om zich geleidelijk aan te verspreiden. Ze beschikken over een plattegrond van mijn hoofd en stippelen de meest interessante speleologische route uit. Langzaam bezet het slijm de holte in mijn voorhoofd, vervolgens mijn rechter- en linkerneusgat.
In bed, voor het slapengaan, lees ik in De Rustelozen van Lin Ullmann, waarin zij op haar beurt Virginia Woolf citeert. ‘We lezen anders als we ziek zijn, want dan zijn we niet zo verantwoordelijk en verstandig als iedereen in het leger van de rechtopstaanden.’
‘s Anderendaags stap ik een overvolle trein op, voor een lezing in een kasteel ergens in het noorden van Vlaanderen, met een vuurrode, korstige neuspunt. Mijn sinussen staan op barsten. Ik moet een tijdje zoeken voor ik een leeg zitje vind.
Het kasteel is prachtig, beschikt over een trappenhal met aan de ingang twee indrukwekkende slagtanden die naar elkaar gebogen staan. Ze vormen een gewelf waar men onderdoor kan lopen. Ik heb nog nooit zo’n grote stukken ivoor gezien. Ze representeren een heel sterk dier, een stevige strooptocht, een groot lijden.
Mijn lezing gaat door in een zaaltje waar ook de bar is ingericht. Er staan plastieken bloemstukjes verspreid, op elk tafeltje ligt iets dat moet doorgaan voor een tafelkleed, al bedekt de stof nauwelijks een derde van het blad.
De interviewer stelt me voor aan het publiek, vermeldt in de inleiding dat ik te gast ben geweest op ‘dé Crossing Border’ - hij spreekt het op zo’n manier uit dat het me geloofwaardigheid moet verlenen, wellicht daarom ook het lidwoord van bepaaldheid.
‘Maar ik ben er nog niet geweest, hoor,’ zeg ik. ‘Het heeft dit jaar nog niet plaatsgevonden.’
Gezeten op de kruk, met mijn ellebogen op het wankele klaptafeltje, met mijn neus die een fluitend geluid maakt bij elke ademstoot, krijg ik plots heel veel zin om in den Haag te zijn, mij reeds in de toekomst te bevinden.
Op weg naar huis duik ik weer in De Rustelozen. De trein is leeg. Mijn neus is verstopt, mijn oren lijken naar mijn binnenste gericht te staan. Ik hoor mezelf denken, scharniertjes in mijn lichaam draaien. Mijn snot verplaatst zich pruttelend wanneer ik voorover buig.
‘De zieken, zij die in bed liggen,’ lees ik, ‘zijn brutaler, onbedachtzamer tijdens het lezen, koortsachtig, overgevoelig als het over woorden gaat, beelden of klanken. Barrières verdwijnen, knopen ontwarren, het brein zingt. En zo is het ook in het holst van de nacht en vroeg in de ochtend, wanneer het hart bonkt en niets gesorteerd is, ik ben bang, moe en niet helemaal van mezelf.’
Die nacht zit er inderdaad geen volgorde in mijn gedachten. Mijn dromen zijn doordrongen van de gêne die ik ervoer bij de aanblik van de prullerige tafelkleedjes in het kasteel, omdat ze me deden denken aan hoe ik mezelf thuis, nadat ik gedoucht heb, soms met een veel te klein handdoekje moet afdrogen. Dan voel ik me een groot, log dier. In m’n slaap kom ik, behalve een olifant en een mammoet, ook mensen tegen, maar zij papegaaien enkel zinnetjes uit het boek van Ullmann.
Zodra het licht wordt buiten, sta ik op, maak ik me zorgen, over onwaarschijnlijke dingen. Dat mijn verkoudheid niet voorbij zal zijn begin november, dat ik tijdens ‘dé Crossing Border’ wel naar een leger van rechtopstaande schrijvers zal mogen luisteren, maar dat ik enkel het piepen van mijn eigen scharniertjes zal horen.
























.png&w=256&q=75)











