GESCHREVEN DOOR

Lize Spit (NL)
VERTAALD DOOR

Maud Gonne (FR)

Kristen Gehrman (GB)
Lize - blog 2
04 November 2016
De trein naar de Haag vult zich met reizigers. Ik kom net van de boekenbeurs in Antwerpen. Zoals steeds, op de terugweg van evenementen waar zich een massa mensen verzamelt, verwonder ik me over de buitenwereld, over het feit dat er ook mensen bestaan die niet op die ene plek willen zijn. Alsof ze buiten een bepaalde verzameling vallen, het aan zich laten voorbijgaan zonder dat ze het gevoel hebben iets te missen.
In het zitje naast me komt een man in maatpak zitten. Op zijn borst prijkt een leeg naamkaartje. Het valt niet aan hem te zien of hij ergens naar onderweg is of ervan terugkeert. Moet deze man ook niet nog even de boekenbeurs bezoeken? Misschien denkt hij over mij hetzelfde, komt hij van de begrafenis van een vriend, een belangrijke meeting in een conferentiezaal, een reünie. Misschien maakte hij net nog deel uit van een andersoortig evenement waarvan ik, op mijn beurt, niet op de hoogte was.
Een half uur lang reizen we samen, de man en ik en alle anderen. We delen de wagon, worden slechts van elkaar gescheiden door een gangpad, door plastieken armleuningen, door de dame die af en aan loopt om versnaperingen en warme dranken te verkopen.
We laten Antwerpen achter, worden een nieuwe verzameling: mensen die onderhevig zijn aan dezelfde krachten, bochten. Bij het remmen van de trein hellen we synchroon naar voren en dan weer naar achteren, we voeren een choreografie uit waar sommige gezelschappen lang voor moeten repeteren.
Mocht je ons reisgedrag van bovenuit schetsen, in ieders kielzog een potloodlijn trekken, dan zou het een tekening van een kale boom opleveren. Van Antwerpen tot Roosendaal blijven we allemaal samen, vormt onze beweging een grote hoeveelheid lijnen, een stevige stam. Maar in het eerste station scheiden onze wegen zich, vertakken we.
Ik reis zo ongeveer mee tot halverwege de kruin. In Den Haag zal ik de wagon verlaten, zal ik zelf een takje worden, of nee, eerder een twijgje. Zigzaggend zal ik met mijn valies door de straten zoeken naar het hotel dat me werd toegewezen, waar we in de avond verzamelen voor een gezamenlijke maaltijd.
Tussen Roosendaal en Den Haag glijdt de trein door weilanden die ik al zo vaak ben gepasseerd, altijd met optredens of gesprekken met andere schrijvers in het vooruitzicht. Ook nu kijk ik uit naar de vriendelijke vogelverschrikker. Die staat daar, onverschrokken, met zijn armen in de lucht, een plastieken zak als jasje. Hij is nergens naar onderweg, hij wordt nergens anders verwacht. Soms, als het windstil is, zitten er vogels op zijn schouders.

























.png&w=256&q=75)











