GESCHREVEN DOOR

Siham Amghar (NL)
VERTAALD DOOR

Mathilde Vuidar (FR)
blog 5 - Sihem
24 November 2016
Zij staat zielsalleen in de kamer, waarvan de muren op haar afkomen. De kale muren, de ongeverfde, zonder behang, zonder schimmel bevlekte muren. Het ruikt er muf, naar oma met schizofrenie. Het ruikt er naar ik-wil-niet-dood, het ruikt er naar nog-net-leven. De lucht smaakt naar sinaasappelschil en groene thee met verse munt. Sereen en toch komen de muren op haar af. De deuren waaien regelmatig open, niemand stapt binnen. Er zijn geen gordijnen, dus iedere voorbijganger ziet dat er niemand anders in de kamer staat dan de vrouw met knaloranje geverfd haar. Er staat een fles ketchup midden in de kamer, op de houten vloer. Het licht dat binnenvalt, lijkt zich als een spotje te concentreren op de rode fles en het enige waar ik aan kan denken is hoe het rood van de ketchupfles vloekt met de feloranje kleur van het haar, van de eenzame vrouw. ‘Rijden maar, opschepper. Vraag me helemaal niets. Het stuur in jouw hand, groen gras aan beide kanten van de weg.’ Zo dacht en denkt zij er dus blijkbaar over. Met een groot bord langs de weg, waarop ‘Lift naar Nador’ staat en ik rijd dus maar door. Het Noorden van Marokko. In kleine steden en dorpen is het niet normaal om over straat te gaan als vrouw. Uit het raam kijken is schandalig, doe dat ook maar niet en wil jij als vrouw een hoogtepunt van schaamte bereiken, loop dan alleen, of samen met een vrouwelijke vriend, een plaatselijk cafeetje binnen. Voor een glas jus d’orange, een potje verse muntthee. Het ruikt er naar die kale kamer. Overal in Nador, ruikt het naar kale kamer. De vrouw die met mij in Nador is, telt haar grijze haren vanonder haar hoofddoek en het lukt haar niet. Zij raakt de tel kwijt en verlangt naar oranje haren. Al vloekt het met de ketchupfles. Ik vraag haar of zij van cactusvruchten houdt. Zij antwoordt niet. Ik vraag haar of zij van vijgen houdt. Zij antwoordt niet. Ik kus haar op de mond. Zij antwoordt niet. Zij staart uit het raam, naar het droge, kale landschap en ik droom van haar gelaat, tijdens een woede-uitbarsting. Het lijkt mij aantrekkelijk, sexy, zo woest, als woestijn. Ik wil haar boos zien en trek haar de hoofddoek van het hoofd. Trap op de rem. Zij stoot haar hoofd, vol met haar gezicht op het dashboard. Tranen met tuiten. Zij stapt uit, ik schreeuw het uit. De deuren waaien regelmatig open, niemand stapt binnen. Als sterrenstof, daar hoog tussen zware wolken, zal de maan mij bijstaan, terwijl het tocht. Fijn is het niet maar het gevloek, van ketchupfles en oranje haren, verzachtte mijn zuchten. Zij was er voor mij, al was zij niet écht. Het deed er niet toe, want ik was op reis en nu ik thuis ben, de kale muren op mij afkomen, wil ik terug naar Nador. De gore geuren opsnuiven, mijn tong over de sinaasappelschillen schrapen. Een cafeetje binnenstappen en de vrouw ontdoet van haar hoofddoek. Haar hoofd tegen het dashboard zien stoten. Ik-wil-niet-dood, maar nog-net-leven.
























.png&w=256&q=75)











