GESCHREVEN DOOR

Siham Amghar (NL)
VERTAALD DOOR

Mathilde Vuidar (FR)
blog 3 siham
05 November 2016
Bovenaan de trap is het donker. Blauwe lichten beschijnen de zwarte muren. Lichter, fleuriger wordt het er niet op. De schimmen bewegen snel en er is geen zicht. Geen kijk op wie zich daar bovenaan de trap bevindt. Er galmt een waas van drummuziek van muur naar muur. Het raakt mijn binnenste, zoals deze lange tijd niet is geraakt. Doorboort, geen genade. Mijn trommelvlies, mijn schrikorgaan. Geen genade, daar begint een graag-vergeten avond mee.
Zaterdagnacht is er om te vergeten. Om te drinken op de gezondheid, te roken om te vieren dat de avond net zo lang doorgaat, tot jij het stoppen wil. En ik voel aan alles dat er aan deze specifieke zaterdagavond, nog lang geen einde komt.
De mensen stromen binnen. Stampend op de beat van de ziel van de drummer. Iedereen die hier binnenstapt is gedoemd te blijven tot ook de laatste fles sterke drank zijn weg heeft gevonden naar het menselijk lichaam. Vervolgens op straat terug te vinden, als hoop ellende. Als braaksel van al de impulsiviteit van die late uurtjes.
De zanger komt het podium op, niemand lijkt hem te kennen, iedereen gedraagt zich als hondsdol. Grote handen raken elkaar. Geschreeuw, gejoel, wordt naar de zanger gegooid. Hij zingt ieder woord, alsof het zijn laatste zal zijn. Lange tussenpozen, zodat niemand echt luistert naar wat hij te zeggen heeft. Cryptisch bijna. De zwarte muren raken van slag. De blauwe lichten bewegen niet meer. Er ligt iemand op de grond, voor mijn neus. Zij gilt, niet naar de zanger, naar een onzichtbare kracht. Haar borst tilt zich omhoog, richting plafond. Haar ogen draaien weg, er is geen iris meer te zien. Alles is wit in de oogkassen die mijn gelaat verduisteren.
Ik kom in actie. Pak haar benen, sleep haar over vloer, nat van de alcohol, naar het podium. Ik blaas constant in haar gezicht, in de hoop dat haar irissen zich weer laten zien. Bij het podium aangekomen, spring ik op de zanger af. Ik pak hem bij zijn miezerige schouders, fluister in zijn oor en hij reageert fel. In een stap staat hij op de jonge vrouw. Met zijn scherpe hak. Op haar borstkas.
Het is warm hier. Ik ben alleen, maar hoor en voel iedereen die mij kennen wil. ’s Ochtends wil ik met haar liggen. Genieten van de grijze lucht, haar zware adem. Zij staat op, waardoor ik word meegevoerd in de zwierige stroming die haar lichaam maakt, wanneer de soulvolle muziek van de ontbijtzaal mij in slaap sust.
Vandaag is zo een dag om tot rust te komen. Om te accepteren, lief te hebben dat het soms gewoon stil is in ons.
Behalve voor ons. Wij zijn constant verbonden. Niet alleen met elkaar. Ook met de klanken, letters en zuchtjes die deze ruimte vullen. Ruimte, want deze bestaat uit meerdere kamers. Van de ene, naar de andere kant van het hart. Kloppend geheel, tranen latend om dat wat gisteren gedeeld is met onzichtbare krachten. Het had zo moeten zijn en ik ging daarna kalmpjes, als onder invloed van intens geluksgevoel, door naar de volgende kamer. Sarah Neufeld. In het ‘Heartbeat Hotel’. Zij bracht mij, na alle pijn, naar bed.
























.png&w=256&q=75)











