GESCHREVEN DOOR

Asha Karami (NL)
VERTAALD DOOR

Noëlle Michel (FR)
blog 1 Asha
22 July 2019
Sinds kerst 2018 is mijn voicemail zacht en onzeker, terwijl ik mijn noodles eet probeer ik erachter te komen of ik iets te zeggen heb, welke verhalen kun je afdwingen in deze staat, ik had vorige woensdag ingepland voor het schrijven van deze blog, de microdosering bleek echter te hoog en ik heb de halve dag gehuild naast de grootste plant in mijn huis waar het niet goed mee gaat sinds J in het verpleeghuis ligt, ik geloof nog steeds dat de plant haar leven heeft opgegeven, haar wortels geïsoleerd van alle andere planten en bomen op aarde, ik had laatst gelezen dat planten met elkaar communiceren en verbonden zijn via hun wortels, en hier zit ze in een kleine pot opgesloten in een appartement elf meter boven de grond, toen ik haar probeerde te omarmen vielen nog wat bladeren af, de andere helft van de dag besprak ik op messenger strategieën voor komende interviews met een mededichter.
Zaterdag hoor ik op weg naar de uitgang een man onverstaanbaar schreeuwen in de kleedkamer van het dichtersbal, ik loop er naartoe en zie, naast de ijsberende man, een vrouwelijke dichter verdwaasd voor zich uit kijken, ik kniel bij haar, mijn hand op haar arm, ‘wil je water?’ Ze glimlacht en knikt zonder naar me te kijken. ‘Met of zonder bubbels?’ Nu kijkt ze me aan: ‘zonder.’ Dan valt het wel mee denk ik en haal een spa blauw. De man, inmiddels stil, observeert mij. ‘Wil jij ook wat drinken?’ ‘Bier.’ ‘Dat is op’ zeg ik ‘er is cola of sinas.’ ‘Cola.’ ‘Met of zonder suiker?’ Mompelt: ‘met suiker’. Met hem gaat het ook wel, ik open een flesje en geef het aan hem.‘Wel thuis.’ Op dat niveau wil ik mijn plant begrijpen, maar ik ben alleen in staat om te projecteren, de gedachten die het bewustzijn van een plant creëert zijn voor mij nog niet te verdichten. Als ik naar buiten loop, vraagt iemand, die tot een uur geleden mij niet kende, of ik een keer in zijn klas wil komen vertellen over poëzie en mezelf. ‘Ja, je bent een echte inspiratie, je kent je vader niet.’ ‘Ik denk eigenlijk dat ik niets te zeggen heb, ik doe zomaar wat’ zeg ik, word dan op mijn schouder getikt, een pas gedebuteerde dichter, we feliciteren elkaar met onze bundels, vervolgens vraagt ze zich hardop af waarom ze niet gevraagd was om deze avond op te treden. Toevallig komt de initiator van het evenement vragen hoe het met me gaat, ik antwoord dat alcohol zou helpen en krijg drankmuntjes, de dichter stelt nu haar vraag aan hem en als hij vraagt wie ze is, vraag ik me af of zij niet bij de basischoolkinderen langs wil en waar heb ik het pakje sigaretten laten vallen? Ze geeft hem haar kaartje en zegt als hij weg is ‘even snel pitchen.’ Ik vraag me af wat ze geschreven zou hebben als zij moest bloggen voor Chronicles en geef de muntjes weg.
Die nacht droom ik dat ik mezelf op de cover van de Poëziekrant zie, witte jas aan, op een houten ladder en een kan kwasten met verschillende kleuren verf. Als ik het beter bekijk ben ik wazig en in de verte en is de verf op de voorgrond scherp. Ik zeg dat ik blij ben en dat de fotograaf dit heeft gekozen omdat ik zo zeurde over geen foto te willen. Ik heb dubbele gevoelens want zo krijg ik eigenlijk geen zichtbaarheid, waarom moet ik altijd zeuren en kan ik niet gewoon normaal zoals anderen even meedoen en voor een goede coverfoto zorgen.

























.png&w=256&q=75)











