GESCHREVEN DOOR

Anne Moraal (NL)
VERTAALD DOOR

Francesco Panzeri (IT)
anne blog 5
16 November 2020
Ik kwam terug uit Den Haag en liep de woonkamer in. Op het eerste gezicht zag mijn huis er nog precies zo uit als ik het had achtergelaten, maar er bekroop me een vreemd gevoel. Alsof ik werd bekeken. Ik sloeg er niet veel acht op en deed de dingen die je doet als je thuiskomt: je tas neerzetten en je voornemen om die meteen uit te pakken (en dat niet te doen), de ramen opendoen, koffie zetten. Weer kreeg ik het gevoel dat ik bekeken werd en uit mijn ooghoek zag ik een klein wit bolletje achter het raam. Twee kleine, priemende oogjes keken me strak aan. Een kip. En niet zo’n huis-tuin-en-keuken-beest waar je aan denkt als je het woord ‘kip’ hoort. Dit was een extreem klein kipje, geen kuiken, maar echt een volwassen kip in het klein. Ze was wit met wat zwarte puntjes en leek totaal niet onder de indruk van mijn aanwezigheid. Het kipje was niet alleen. Een stukje verderop liep er een bruin exemplaar zelfverzekerd door de tuin, alsof ze dat al jaren op deze manier deed. Maar, ik heb helemaal geen kippen.
Ik zette meteen een zoektocht naar de eigenaar van de diertjes op touw en hield me vooral bezig met vragen als: wat als we de eigenaar niet vinden? Of wat als de kat van de buren doorkrijgt dat er hier twee hele kleine kipjes rondlopen. Met mijn man, die ook thuis was, gebeurde iets anders. Hij ontfermde zich over de kipjes alsof hij twee lang verloren vriendjes weer terug zag. Hij haalde broodkorstjes voor ze en een bakje water. Met een kratje en wat handdoeken maakte hij een nestje voor ze. Hij had opgezocht dat het een Aziatisch kippenras was dat slecht tegen de kou kon. Hij was niet bij de beestjes weg te slaan. Via via kwam ik na 2 uur de eigenaren op het spoort, onze achterburen. Een kat had de kippen onze kant op gejaagd. Over de telefoon overlegde ik met de eigenaresse dat ze de kipjes op kon komen halen. Toen ik de telefoon ophing keek ik de tuin in, naar mijn man die daar stond met het witte kipje op zijn arm en de bruine die op zijn hoofd in slaap was gevallen. Ik liep naar buiten en hij zei: ‘van mij mogen ze blijven.’ Ik vertelde dat de achterburen de kippen binnen 10 minuten zouden komen ophalen. Mijn man bleef stil.
De achterbuurvrouw kwam met haar zoontje stopte de kippen in een kartonnen doosje en bedankte ons. De dag verliep verder zoals die dagen verlopen: ik pakte mijn tas niet uit en liet mijn koffie koud worden. ’s Avonds op de bank keek ik foto’s terug van de avond ervoor, toen ik nog in Den Haag was en over mijn boek vertelde en eindelijk de andere schrijvers had ontmoet. Mijn man bekeek op zijn telefoon de foto’s die hij van de kipjes had gemaakt en zei niets. Het contrast tussen het festival en mijn leven in Hoevelaken had niet groter kunnen zijn. Toen hoorden we buiten iets ritselen in de bladeren. Uit het donker verscheen een klein bolletje achter het raam, met kleine oogjes die naar binnen keken.
























.png&w=256&q=75)











