GESCHREVEN DOOR

Daphne Huisden (NL)
VERTAALD DOOR

Alice Paul (GB)
Proloog
02 November 2013
Laat ik beginnen met een bekentenis: eigenlijk ben ik totaal ongeschikt om naar het Crossing Border te gaan. Of welk festival dan ook wat dat betreft.
Toen ik mijn vrienden vertelde dat ik voor The Chronicles dagelijks verslag zal gaan doen van het festival en ik ze uitlegde dat ik -om dit avontuur ten volle te beleven- 's nachts in een hotelkamer zal overnachten om overdag Den Haag en Antwerpen af te struinen, omringd door onbekenden, op zoek naar onverwachte indrukken, keken ze me meewarig aan.
'Jij?' zeiden ze. 'Zo lang van huis?'
Het waren dezelfde vrienden die ik het afgelopen jaar schaamteloos verwaarloosd heb omdat ik mezelf (in een hardnekkige en maandenlange vlaag van verstandsverbijstering) had wijsgemaakt dat het een goed idee zou zijn om mijn tweede roman in compleet isolement af te maken.
Kluizenaarschap. Ja, het leek destijds een goed idee. Ik kocht een spuuglelijke, maar o zo comfortabele ochtendjas, trok me terug op onze muffe, onverwarmde zolderkamer en bouwde daar in de loop der tijd een bijzonder goede verstandshouding op met mijn praatgrage kat Tartuffe. Daar had ik meer dan genoeg gezelschap aan. Zo vond ik, en Tartuffe stemde in.
Samen misten we een zomer, een winter, en toen nog een zomer. We vergaten welke dag het was en welke maand. Tartuffe lag spinnend op mijn schoot terwijl ik mijn personages vervloekte. Hij was een trouwe mascotte.
Om een lang verhaal kort te maken: het boek kwam af. Maar ik heb daarna plechtig beterschap moeten beloven. Ik slaap weer (bij voorkeur vòòr zonsopgang), ik leef niet langer op een dieet van tosti's en nicotine, en ik kom zelfs weer buiten. Tartuffe en ik spreken elkaar nog regelmatig, maar ook hij vindt dat het tijd is om onze horizon te verbreden. We doen ons best.
Toch blijft de reactie van mijn vrienden terecht, want hoewel mijn ochtendjas inmiddels aan de kapstok hangt, ben ik nog steeds een huismus; een thuisblijver, een binnenzitter. Ik vermijd alle verjaardagen, feestjes, bijeenkomsten en borrels, elke gelegenheid waar netwerken gewenst is of polsbandjes vereist zijn. En als ik er een keer niet onderuit kan, zit ik in een hoekje: jas op schoot, blik op de uitgang, klaar om te gaan.
Nee, al met al ben ik niet gemaakt van het meest solide festivalmateriaal. Maar op dit moment, twee weken voor het werkelijk zover is, ben ik nog vol vertrouwen. Ik heb namelijk het sterke vermoeden dat ik juist op Crossing Border niet de enige zal zijn die zich wat sociaal onhandig voelt en dus zo gedraagt. En dat biedt troost.
Er moeten anderen zijn die, net zoals ik, hun spontane gezicht opzetten, maar zich eigenlijk ook geen houding weten “onder de mensen”. En ik zal mijn best doen om ze te vinden, die andere kluizenaars. Ik zal me niet opsluiten in mijn hotelkamer; ik zal me mengen in het publiek, laten verrassen door het mooie programma en op zoek gaan naar de eenlingen, de anderen die net zoals ik opnieuw willen leren praten.
Het wordt een avontuur.
























.png&w=256&q=75)











