GESCHREVEN DOOR

Vea Kaiser (NL)
VERTAALD DOOR

Eleanor Collins (GB)

Mara van Duijn (NL)

Guillaume Vissac (FR)

Ruth Clarke (GB)

Ilse Barendregt (NL)
Prolog
04 November 2014
Op wereldreis werd mijn beste vriendin verliefd op een Nederlander, die daarop besloot naar Oostenrijk te verhuizen. Omdat mijn beste vriendin vrij neurotisch is en hij haar niet te veel wilde belasten, trok hij, tot hij een eigen woning had gevonden, tijdelijk in mijn woonkamer, die toch al weken leeg staat omdat ik hoognodig mijn tweede roman moet inleveren en geen tijd heb voor wonen. We moesten plechtig beloven niet over haar te praten, per slot van rekening weet en ken ik haar vanaf de kleuterschool. Maar afgezien van haar hadden we niks gemeenschappelijks en dus hadden we het avondenlang over onze landen.
We stelden vast dat Nederland twee keer zo klein is als Oostenrijk, maar twee keer zoveel inwoners heeft. Hij legde me uit waarom het Nederlandse voetbal zo geweldig is en ik aan hem waarom Wenen een Oost-Europese en geen West-Europese stad is. Slechts twee kwesties hebben we nooit kunnen ophelderen: ik snap niet waarom bijna alle Nederlandse gerechten gefrituurd worden en hij begrijpt niet waarom de meeste Oostenrijkers geen Engels kennen.
Ook al konden we deze vragen niet beantwoorden, het belangrijkste was dat ze ter sprake kwamen. Tot aan het moment waarop het Nederlandse vriendje van mijn beste vriendin aan me vroeg waarom alle Oostenrijkers, zodra ze Engels proberen te spreken als slechte Falco-imitators klinken, was ik me helemaal niet bewust van de beroerde vreemdetalenkennis van mijn landgenoten, : inderdaad, we kennen echt allemaal geen Engels. En Remco verging het net zo, alleen al vanwege het feit dat ik geen frituurpan in de keuken heb staan, zag hij in dat niet al het eten een tweede dood in het frituurvet hoeft te sterven om het eetbaar te maken.
Het leuke aan ontmoetingen met mensen uit andere culturen is dat je niet alleen iets van de andere cultuur leert, maar ook hoeveel je over jezelf weet. En dat geldt niet alleen voor intermenselijke relaties, maar ook voor de literatuur.
Toen ik mijn eerste roman schreef, wist ik eigenlijk nauwelijks wat ik aan het doen was. Maar toen ik met vertalers ging samenwerken, begon ik oog te krijgen voor hoe mijn taal eigenlijk in elkaar zit. Opeens begreep ik hoe ontzettend dubbelzinnig de structuur van Duitse zinnen is. Ik ontdekte hoeveel betekenisnuances en eigenaardigheden het Oostenrijks-Duits kent, en ik verbaasde me erover voor hoeveel woorden er in andere talen helemaal geen uitdrukkingen bestaan. En ik begreep ook dat vertalen eigenlijk ‘het je eigen maken’ betekent. Toen ik de Nederlandse vertaling van mijn boek voor het eerst in handen kreeg, had ik het gevoel dat dit boek maar voor 40% van mij was en voor 60% van vertaler Kor de Vries, maar dat we samen iets heel nieuws tot stand hadden gebracht. Het was alsof mijn boek groter was geworden zonder dat ik daar iets voor had hoeven doen.
Juist vanwege de uitwisseling, vanwege het verleggen van grenzen, het leren kennen van het onbekende, maar ook het verwerven van nieuwe inzichten over mezelf, verheug ik me nu al op de tijd in Den Haag.
Literatuurfestivals betekenen meestal: veel interessante auteurs, geweldige muzikanten, collega’s uit de hele wereld leren kennen, te weinig slapen, te veel drinken – en van Crossing Border verwacht ik dat het bijzonder intensief wordt, ik heb nu al moeite om te kiezen welke optredens ik ga overslaan en welke ik ga bekijken, er staan te veel interessante dingen op het programma.
In mijn wildste fantasieën is alles versierd met honderden tulpen en zijn er waarschijnlijk twee keer zoveel mensen als bij een Duitse lezing, op maar half zoveel ruimte. In mijn fantasie ontmoet ik Arnon Grunberg en kan ik hem eindelijk vertellen dat ik graag een kind van hem zou willen. En zo niet, dan is het ook goed, of misschien wel beter. Hoe dan ook, ik ga een geweldige tijd tegemoet























.png&w=256&q=75)











